1
Juveniele Roodborsttapuit - foto Janneke Mulder

Ooooh, was ik maar boswachter… verslag lezing Ronald Messemaker 15 maart 2017

Dat is zo’n gedachte die bij je opkomt als je na een zonnige dag naar de lezing van Ronald Messemaker, “ Van Aalscholver tot Zoetwaterkwal ”, gaat luisteren en kijken. Elke dag maar weer al die mooie dingen zien, horen en vastleggen. Nou ja, elke dag? Veel dagen zullen we maar zeggen. Doordat elke dag die mooie waarnemingen oplevert voor 2 telt worden het er toch heel veel.   Bovendien als ik dan op een dag als nu, mijn stukje zit te schrijven en uit het raam kijk, regen, regen en regen, ben je weer even liever pennenlikker. Het is ook voor boswachters niet altijd feest.

Ronald werkt al 24 jaar voor Natuurmonumenten in wat nu Nationaal Park Weerribben-Wieden heet. Het halfnatuurlijke landschap is 10.000 ha. groot en daarmee het grootste laagveenmoeras van West Europa. De plassen, sloten, uitgestrekte rietlanden, dichtgegroeide moerasbossen en bloemrijke hooilanden zijn voornamelijk ontstaan door activiteiten van turfstekers, rietsnijders en boeren. Het gebied heeft hierdoor een grote aantrekkingskracht op waterminnende vogels.

 

                        Het verbranden van riet in de Wieden – foto Janneke Mulder

Grote rietschoven doen goede dienst als uitkijkplaats voor vogels tijdens de broedtijd en worden tevens benut om er onder te broeden.

Broedvogeltellingen worden ook verricht door vrijwilligers, een kleine 30. In 2016 waren Belter- en Kiersche Wijde aan de beurt. Op de NM-website vond ik dan ook een uitspraak van “ onze” Arend van Dijk “dat: … de grote aanwezigheid van de Roodborsttapuit bijzonder is. Een soort die je verwacht op drogere gronden.” Daarentegen was de Aalscholverkolonie bij Wanneperveen ten opzichte van 2014 bijna gehalveerd tot 256 exemplaren. Met Purperreigers, Lepelaars en Zwarte Sterns gaat het goed. Deze laatste broedt niet alleen op de door vrijwilligers uitgelegde vlotjes, maar ook zijn er op natuurlijk materiaal ( Krabbescheer) broedende paartjes waargenomen. Intussen is de Zilverreiger goed vertegenwoordigd. Deze heeft een groter aanpassingsvermogen dan de Blauwe Reiger doordat hij niet alleen suf in het water staat te loensen, maar meer lopend jaagt en onderweg insecten en muizen niet versmaadt.

Een interessante, heimelijke vogel (wel een schreeuwlelijk) is de Waterral. Eigenlijk is hij een “roofhoen”. Volgens Ronald – ik heb het niet kunnen terug vinden in mijn boeken noch op internet – doodt de Waterral ook vogels en eet alleen de hersens daarvan op. Ook zouden ringers die vogels met mistnetten verschalken razendsnel de te ringen vogels uit de netten halen als er een Waterral nabij is. Anders plukt de Waterral ze zelf wel even uit het net. Gebaseerd op deze info heb ik een nieuwe theorie over de roep van de Waterral ontwikkeld en ik ga daarvoor zeker de Nobelprijs ontvangen. Het geluid van de Waterral dat in de gidsen omschreven wordt als van “ een geslacht wordend varken” is niet van de Waterral maar van zijn slachtoffers die een vreselijke dood sterven.

Ronald had behalve prachtige foto’s een fors aantal leuke “weetjes”. Een selectie:

  • Aalscholver: Braakballen hebben soort geleikapsel om de maag te beschermen tegen de scherpe graten.
  • Watersnip: Als er gevaar dreigt nemen het mannetje zowel als het vrouwtje een aantal jongen onder hun hoede, waarmee ze een verschillende kant oplopen. Hierdoor verkleint de kans dat alle jongen gepakt worden.
  • Zwarte Stern: Nestschalen worden tientallen meters van het nest gedeponeerd zodat predatoren niet door de witte binnenkanten van de eieren op het nest geattendeerd worden.
  • De Reeën in het gebied zijn relatief licht van kleur door de kalkarme bodem.
  • De Grote Vuurvlinder is uit het gebied verdwenen. Men probeert hem terug te krijgen. Deze vlindersoort zet wel honderden eitjes af op 1 plant van de Waterzuring. Hiervan blijft er misschien maar 1 over.
  • Zoetwaterkwal: Daar is hij dan en bestaat dus echt. Het is een poliep die kleiner is dan een Eurocent en alleen leeft in water van zeer goede kwaliteit.
  • Grote Oeverspin: Het vrouwtje beschermt de jongen, welke enkele malen vervellen. Deze spin heeft Kikkers, Libellen en Kleine Watersalamanders op het menu.
  • Otter: Om “waterdicht” te blijven, groeien er honderden haren op1 vierkante centimeter huid. Als er ijs ligt houdt hij zich in leven door meerdere wakken open te houden.
  • Vleermuis: Bij Sint Jansklooster is voor hen een bunker gebouwd waarin ze kunnen overwinteren. Afgelopen winter hingen er 64 Franjestaarten. Daarmee de soort met het grootste aantal. Ook was er 1 Meervleermuis; staat op de lijst van zwaar beschermde soorten. Ronald liet een foto zien waarop 1 van de beesten niet aan zijn achter- maar aan zijn voorpoten hing. Zijn volgende foto gaf het antwoord: het beest moest piesen en hield zichzelf op deze wijze schoon.

Ik stel voor dat we een volgende keer i.p.v. met de “Zonnebloemboot” voor ouden van dagen eens een excursie organiseren waaraan de jeugdigen eerder zouden willen deelnemen. Per kano; er zijn diverse mooie routes door het gebied.

 

Eén reactie

  1. Geert Drogt zegt:

    Prima verhaal Gerard. We gaan jouw voordragen voor het boekenweekgeschenk
    van volgend jaar. Wat Koch kan kan Mulder ook. gr Geert.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *