Werkgroep Torenvalken

De werkgroep zet zich in voor een stand van enkele tientallen paren torenvalken in de omgeving van Uffelte, onder andere door plaatsing van nestkasten.

Wie kent niet de in de lucht ‘biddende’ (hangende) torenvalk boven de berm of grasland? De Torenvalk is een typische vogel van het agrarische landschap, heide en aan randen van dorpen en steden. De valk nestelt in bomen of boomgroepen, maar foerageert veel in open landschappen. In Uffelte zijn vooral beekdalen en grotendeels open agrarische gebieden in trek. In de vorige eeuw nestelden torenvalken veel in oude kraaiennesten, maar tegenwoordig zitten ze vrijwel uitsluitend in speciaal opgehangen nestkasten.

Coördinator

Wim Snoeken
(0521) 351975
wsnoeken@planet.nl

Doel

De werkgroep zet zich in voor een torenvalkenstand van enkele tientallen paren in Uffelte en omstreken. Voor de torenvalk zijn de belangrijkste voorwaarden voor het broeden voldoende voedsel, meest kleine knaagdieren, en geschikte nestgelegenheid. Dit laatste wordt door de werkgroep gerealiseerd door op geschikte plekken nestkasten te plaatsen.

Werkwijze

Ons werkgebied bestaat uit het agrarische landschap, heide en bossen in de omgeving van de dorpen Uffelte, Ansen, Wittelte, Wapserveen en Havelte. Hier hangen thans 29 nestkasten. In dit werkgebied is de stand van de torenvalk stabiel, hoewel er grote schommelingen zijn. De stand blijft stabiel, ook na het bijplaatsen van extra kasten. Thans zitten in Wapserveen de meeste valken en hier is misschien nog uitbreiding van kasten (en valken) mogelijk.

Resultaten

In de afgelopen vijftien jaren hebben we meestal 7 tot 13 bezette kasten. Gemiddeld is 75% van de nesten succesvol, dat wil zeggen er zijn één of meer jongen uitgevlogen, maar dat varieert tussen de 50 en 100%. Het aantal uitgevlogen jongen per jaar wisselt de laatste vijftien jaren tussen de 27 en 69 (gemiddeld 36). Het jaar 2008 was met 15 succesvolle broedsels en 69 jongen een topjaar. Waarschijnlijk was er sprake van een goed ‘muizenjaar’. In goede muizenjaren hebben we meer valken dan in jaren met weinig muizen.

Nestkasten worden soms ingepikt door broedende Nijlganzen. Met extra spijlen in de vliegopening van de kast kan dit worden tegengegaan. De laatste jaren hebben we geregeld met predatie te maken. Steenmarters halen soms de eieren (en jongen?) uit de kast. Een bepaalde nestkast werd geregeld gepredeerd door (hoogstwaarschijnlijk) een Havik.

Laatste nieuws uit de werkgroep

De torenvalk

De torenvalk (Falco tinnunculus) kan in geheel Nederland aangetroffen worden. Helaas loopt sinds de eeuwwisseling de stand weer terug, na een aanzienlijk herstel in de jaren ervoor. Dit herstel kwam na een ernstige terugval in de jaren 1960 vooral door gebruik van pesticiden en andere bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Tegenwoordig zijn er circa 5000 broedparen in heel Nederland.

Jachttechniek en voedsel

Veldmuizen en noordse woelmuizen vormen het basisvoedsel van de torenvalk. Daarnaast worden woelratten, rosse woelmuizen, huismuizen en bosmuizen gevangen en incidenteel een rat, mol, wezel of vleermuis. Het dieet wordt aangevuld met kleine vogels, reptielen, amfibieën, insecten (vooral kevers) en dergelijke. De prooien worden vaak gevangen met de voor de Torenvalk zo typische jachttechniek waarbij de vogel op een hoogte van 10-40 meter hoogte ‘stilstaat’ om dan ineens of in etappes naar beneden op een prooi te duiken. Deze jachttechniek wordt wel ‘bidden’ of wiekelen genoemd. De torenvalk kan ook vanaf een hoge positie in een boom of op een paal op zijn prooi duiken. Soms wordt lopend op grond gezocht naar wormen, insecten of slakken.

Broedgedrag

In de nawinter vormt de balts vaak een eerste aanwijzing voor het broeden. Tijdens de balts duikt het mannetje naar het vrouwtje of het mannetje jaagt op het vrouwtje in een gezamenlijke cirkelvlucht. Torenvalken bouwen zelf geen nest, maar broeden in oude kraaiennesten of in speciale nestkasten. Eieren worden meestal tussen midden april en begin mei gelegd. Het legsel is ongeveer 3-6 eieren groot en wordt door het vrouwtje ongeveer een maand bebroed. De jongen blijven 27 tot 52 dagen in het nest en hebben vervolgens nog 30 dagen nodig om zelfstandig te worden. Normaal gaan de jongen dan uit het ouderlijke territorium, maar er zijn voorbeelden waarin de jongen de gehele winter nabij de ouders blijven. Jonge torenvalken kunnen al in het eerste jaar na hun geboorte zelf gaan broeden.

Controle van kasten

Eind februari begin maart worden de kasten schoongemaakt eventueel gerepareerd of opnieuw vastgezet. Kasten die slecht zijn worden vervangen. Er wordt een nieuwe laag houtsnippers aangebracht zodat ze klaar zijn voor het nieuwe broedseizoen. In mei volgt een controle met de camera om te zien welke kasten bewoond zijn. Eind mei-begin juni worden de nesten nogmaals gecontroleerd met het oog op het ringen van nestjongen. In juli worden de jongen geringd. Er zijn thans acht vrijwilligers actief in de werkgroep.