Home

Werkgroepen

Programma

Verslagen

Foto's

Lidmaatschap

Jaaroverzichten

FAQ

Contact

Waarnemingen

Links

 
 

Torenvalken
Werkgroep

 
 
 

De Torenvalk

 
 
 

Werkzaamheden
werkgroep

 
 


Inleiding.

Bij veel mensen is de torenvalk bekend als de vogel die boven het veld “biddend” speurt naar voedsel. Met snelle vleugelslag, kop in de wind en staart gespreid zoekt hij de omgeving onder hem af naar voornamelijk veldmuizen. Als hij zich plots als een steen omlaag laat vallen, is hij in 1 op de 5 gevallen succesvol. Wijkt de buit uit, dan mislukt de poging en begint het bidden een eindje verder opnieuw. Ervaring maakt de valk na verloop van tijd succesvoller bij de jacht. Hoewel ook de buizerd soms biddend tracht een prooi te verschalken, beheerst hij deze jachttechniek bij lange na niet als de torenvalk.

Voedsel.

Veldmuizen vormen voor de torenvalk het hoofdvoedsel. In muizenrijke jaren tref je in een geschikt gebied meer broedparen aan dan in jaren met weinig muizen. De muis is ook bij het opgroeien van de jongen het hoofdvoedsel. Je treft in een kast soms meerdere muizen aan, die het mannetje voor echtgenote en kroost aansleept.

Naast muizen vormen kevers (vooral mestkevers) en soms jonge vogels een belangrijk voedselalternatief. Als jonge spreeuwen eind mei zijn uitgevlogen en zich massaal in de weilanden ophouden, vormen ze voor de biddende torenvalk een gemakkelijke prooi. In de kast of op het oude kraaiennest tref je dan overvloedig de bruine veren aan. In de braakballen tref je de paarse schildjes van de mestkevers aan.

Broedplaats.

Een torenvalk is niet in staat, zoals bijv. de buizerd, zelf een nest te bouwen. Daarom maakt hij graag gebruik van oude kraaien- en eksternesten. Die bevinden zich vooral in het open veld in bosschages en solitaire bomen. Daar vind je dus ook de torenvalken die op de nabijgelegen weiden en akkers een goed voedselgebied vinden.

Behalve in het veld zoeken deze valken soms ook oude gebouwen op, waar in een nis de 4 tot 6 eieren worden gelegd, vandaar de naam torenvalk. Al in het 1e levensjaar zijn valken geslachtsrijp en vindt paarvorming plaats. Tijdens een indrukwekkend vluchtspel, begeleid door een intensief “kli-kli-kli”geroep wordt het territorium bezet.

In onze omgeving maken de valken heel graag gebruik van de speciale kasten. Die worden in het open veld in een dikke boom opgehangen met de invliegopening op het oosten of zuiden (om minder last van inregenen en een krachtige wind te hebben). Een flinke laag houtspaanders zorgt voor een goede bodem waarop de roodbruine eieren gelegd kunnen worden.

Aantal territoria.

Jaarlijks kan het aantal territoria in je broedgebied sterk wisselen. Dat heeft te maken met de aanwezigheid van het hoofdvoedsel van de torenvalk: de veldmuis. We kunnen het aan de bezetting van de beschikbare kastenmerken. In muizenrijke jaren is de bezetting aanmerkelijk beter dan in muizen”dal”jaren. We hebben de indruk dat de totale torenvalkenstand de laatste decennia is achteruitgegaan. De oorzaak is moeilijk vast te stellen. Mogelijk zijn veranderingen in het landschap een reden: te weinig kruidenrijke overhoekjes en bermen.

De Vogelwacht heeft in de loop der jaren het aantal kasten uitgebreid, evenals haar werkgebied. Dit aantal bedraagt momenteel (juni 2007): 31


Torenvalken verblijven in een vrij open landschap afgewisseld met bosschages, waar ze voornamelijk jagen op muizen en insecten (kevers). Ze zijn, wat het broeden betreft, geheel aangewezen op oude kraaien- en eksternesten. Ze bouwen zelf geen nest. Met het verdwijnen van de eksters kregen ook de torenvalken het soms moeilijk een geschikte locatie te vinden. Het blijkt echter dat torenvalken graag gebruik maken van een speciale kast die wordt opgehangen op een hoogte van circa 5 meter in een boom. Een laagje bladaarde dient als nestmateriaal, soms plaatsen we ook een graszode als ondergrond.

Reeds in 1974 hingen we kasten op in de omgeving: Rheebruggen, Uffelter Made, Hooge Stukken).

Momenteel hangen er circa 30 kasten in de omgeving van Uffelte, Havelte, Ansen en Wapserveen.
 


Werkgroep.De werkgroep van de Vogelwacht spant zich in goede broedmogelijkheden voor deze roofvogel te realiseren. De werkgroep staat o.l.v. Wim Snoeken. Hij coördineert de werkzaamheden, die vooral bestaan uit het ophangen van speciale kasten in het werkgebied, de controle ervan omstreeks eind mei en het schoonmaken na het broedseizoen.

De werkgroepleden zijn veelal ook betrokken bij de bescherming van kerk- en/of steenuil.

Het werkgebied bevindt zich vooral rond Uffelte (Uff. Made, Rheebruggen, Hooge Stukken, Ettelte, Uff. Es), Wittelte, Wapserveen, Havelte en Ruinen (Hees, Ansen). Op de kaart hebben we de locaties zoveel mogelijk ingetekend (enkele vallen erbuiten).

Kasten.

Onze kasten worden gemaakt met afmetingen van ca. 45 cm breed, 40 cm diep en 40 cm hoog. Het dak steekt aan de zijkanten 5 cm en aan de voorzijde ca. 10 cm over. Aan de achterzijde geen overstek en daar wordt een lat bevestigd, die dient om de kast aan de boom te schroeven. Aan de voorzijde (onder) wordt een plank van ca. 12 cm getimmerd ter bescherming van eieren en jongen. De kast wordt zo mogelijk opgehangen aan een vrij kale lange stam aan de oost- of zuidzijde van de boom. De kast wordt met 2 zijlatten aan de boom vastgezet (stevigheid). Nieuwe kasten worden ons tot nu toe geleverd door Landschapsbeheer Drenthe (Jaap v. Gorkum).

Kastcontrole/ringen.

De controle van de kasten vindt allereerst plaats in februari. Dan wordt een laag houthaksel aangebracht (ca. 6 cm).  Bladaarde voldoet slecht, omdat het meestal uit de kast waait. Meestal krijg je in maart al een redelijk beeld welke kasten door een paartje worden bewoond, omdat zich in de nabijheid dagen achtereen een heel baltsritueel afspeelt.

Tegen het einde van mei of begin juni controleren we de kasten op inhoud. Bij een goede voedselsituatie kunnen valken soms al rond 15 april met een legsel beginnen. Meestal vind je rond 7 juni ringbare jongen in de kast. Afgeraden wordt voor 20 mei met de controle te beginnen, omdat de kans op verstoring dan het grootst is.

De jonge valken worden geringd door de heer Blaauw. Jeugd van nabije scholen wordt soms bij het ringen betrokken.

Bescherming tegen predatie.

Sinds ca. 2005 blijken legsels van torenvalken ook in kasten niet veilig voor predatoren. Eieren worden opgevreten en we vinden lege doppen in en onder de kast, b.v. in 2005 en 2006 in Wittelte (Noordswegje) en in 2007 aan de Oosterseveldweg (Studentenkampweg) te Wapserveen. Vermoedelijk zijn steenmarter en/of zwarte kraai in het spel. Een plastic mantel van Macrolon rond de stam op ca. 2,5 m hoogte (bovenzijde) kan predatie door een steenmarter voorkomen.


 


 

 

Coördinator

 


Coördinator torenvalkenwerkgroep:
Wim Snoeken, Dorpsstraat 32, tel. 0521 - 351 975

Kasten zijn  te verkrijgen bij Landschapsbeheer Drenthe  (Jaap v. Gorkum)

 

Gasten in de nestkast

 

Nijlgans

De kasten, die de leden van de werkgroep Torenvalken in het open veld ophangen, worden door een aanzienlijk aantal paren betrokken. Door het gebrek aan oude nesten van eksters en zwarte kraaien biedt zo’n kast een welkom alternatief. Jonge torenvalken vinden er een prima, veilig onderkomen.

Toch meldt een paartje torenvalken zich in maart nog al eens vergeefs bij zo’n kast: hij blijkt al te zijn bezet door onverwachte gasten. Een paar nijlganzen heeft de kast “gekraakt” en het vrouwtje zit te broeden op ca. 8 witte eieren. Nijlganzen zijn in het verleden uit gevangenschap ontsnapt en hebben zich wonderbaarlijk snel aan hun nieuwe omgeving aangepast. Ze vermeerderen zich snel, hetgeen geen goede ontwikkeling is: faunavervalsing. Ze zijn in de broedtijd agressief naar andere vogels. Dat zien we bijv. ook in de vennen, waar ze andere watervogels letterlijk op de kop zitten en het leven zuur maken. Dat leidt nogal eens tot verstoringen. Begin maart 2008 troffen we in de t.v.kast aan de Madeweg een broedsel van 9 eieren aan. Wat bij watervogels gebruikelijk is: de eieren waren omgeven met een dikke laag dons, hetgeen bijdraagt aan het op temperatuur van de eieren.

U moet zich wel voorstellen, dat de jonge gansjes na uitkomst vrijwel direct (als een nestvlieder) de kast verlaten en ca. 6 m omlaag vallen, alwaar ze vrijwel altijd zonder kleerscheuren belanden en achter de moeder aan wandelen.

Wij voorzien de kast soms van 2 latjes aan de voorzijde om de grote gans het invliegen te beletten.